Rubriek:

  • Fiscale omkeerregel
  • Eigendom

Overweging 4.4: de wetgever heeft art. 38 Wet op de loonbelasting 1964 doen vervallen om de gevolgen van een arrest van de Hoge Raad dat inhield dat uitkeringen uit hoofde van een buitenlandse pensioenregeling die naar Nederlandse maatstaven als zodanig kwalificeerde waren vrijgesteld van Nederlandse belastingheffing indien de aanspraken naar Nederlands recht tot het loon behoorden, ook in de situatie waarin feitelijk geen belasting over de aanspraken werd geheven (omdat de belastingplichtige tijdens de opbouwfase geen Nederlands belastingplichtige was en in het buitenland geen belasting was verschuldigd; het betrof een overgangsregeling voor pensioenaanspraken opgebouwd tot 1995)

Overweging 4.5: deze wetswijziging betekende voor de belastingplichtige geen eigendomsontneming onder art. 1 van het Europees Protocol omdat de intrekking van art. 38 Wet op de loonbelasting 1964 legitiem was (deze ontbeerde niet elke redelijke grond) en de geheven belasting voor belanghebbende geen individuele buitensporige last inhield.

Klik hier voor de uitspraak

Terug naar overzicht